Bij welke hoeveelheid is de PGS37-2 van toepassing?

Als je overweegt om een energieopslagsysteem (EOS) met lithium-ion batterijen te plaatsen, kom je al snel de term PGS 37-2 tegen. Om direct antwoord te geven op de belangrijkste vraag: de PGS 37-2 richtlijn is van toepassing op lithium-ion energieopslagsystemen met een totale nominale capaciteit vanaf 20 kWh.

Zodra je systeem, of de optelsom van gekoppelde systemen in één ruimte, de grens van 20 kilowattuur bereikt of overschrijdt, moet je voldoen aan de strenge veiligheidseisen uit deze publicatiereeks. Blijf je daaronder? Dan val je buiten de specifieke PGS 37-2 eisen, al gelden er natuurlijk nog wel algemene bouw- en installatievoorschriften.

In dit artikel leggen we precies uit hoe deze drempelwaarde in de praktijk werkt, waarom voor deze specifieke grens is gekozen, en hoe je berekent of jouw beoogde systeem aan deze regels moet voldoen.

De grens van 20 kWh vormt een hard knooppunt in de regelgeving voor energieopslag. Het bepaalt het verschil tussen een relatief eenvoudige installatie en een project waarbij je uitgebreide veiligheidsdocumentatie, brandwerende voorzieningen en meldingsplichten hebt.

Alles vanaf 20 kWh

Wanneer je een batterijsysteem installeert voor bijvoorbeeld een agrarisch bedrijf, een kantoorpand of een kleine fabriek, zit je al heel snel aan de 20 kWh. Moderne batterijen voor zakelijk gebruik beginnen vaak pas bij 30 of 50 kWh. Zodra je over die 20 kWh gaat, treedt het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in werking, wat de PGS 37-2 juridisch borgt. Dit betekent dat je locatie aan een specifieke set maatregelen moet voldoen. Hierbij kun je denken aan de fysieke afstand tot de erfgrens, specifieke eisen aan de behuizing, en het aanleggen van bluswatervoorzieningen.

Wat als je onder de 20 kWh blijft?

Veel thuisbatterijen of kleine opslagsystemen voor het MKB hebben een capaciteit van 5 tot 15 kWh. Als je op deze capaciteit blijft steken, is de PGS 37-2 simpelweg niet op jou van toepassing. Dat betekent echter niet dat je zomaar alles kunt doen. Installaties onder de 20 kWh moeten nog steeds veilig worden aangesloten. De NEN 1010 normering voor elektrische installaties blijft van kracht, net als de algemene eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Fabrikanten moeten een CE-markering meeleveren en de installatie moet door een vakbekwaam persoon gebeuren. Je hebt alleen niet te maken met de zware milieuregels en strenge inspecties die bij grotere systemen horen.

Bij het bepalen van de hoeveelheid waarbij de PGS37-2 van toepassing is, is het belangrijk om te verwijzen naar relevante richtlijnen en artikelen. Een nuttige bron voor meer informatie over gevaarlijke stoffen en de bijbehorende regelgeving is te vinden in dit artikel: Gevaarlijke Stoffen Winkelmand. Hierin worden verschillende aspecten van de wetgeving en de praktische toepassing ervan besproken, wat kan helpen bij het begrijpen van de vereisten rondom de PGS37-2.

Waarom is er precies voor deze grens gekozen?

De keuze voor 20 kWh is geen willekeurig getal. Het is het resultaat van uitgebreide risicoanalyses door de brandweer, de overheid en experts uit de batterij-industrie. Men heeft gekeken naar het omslagpunt waarop een batterijbrand niet meer met standaard middelen te controleren is.

Risico’s en de impact van thermal runaway

Het grootste gevaar bij lithium-ion batterijen is een fenomeen dat ‘thermal runaway’ heet. Dit gebeurt wanneer een batterijcel door kortsluiting, schade of oververhitting ontbrandt. Hierbij komt enorm veel warmte vrij, wat de naastgelegen cel aansteekt, waardoor een kettingreactie ontstaat. Bij een batterijsysteem tot 20 kWh is de hoeveelheid hitte en de omvang van de giftige rookwolk die hierbij ontstaat vaak nog te beheersen door een standaard blusvoertuig van de lokale brandweer. De thermische straling reikt bovendien niet ver genoeg om direct omliggende gebouwen in de as te leggen, mits er logische afstanden zijn bewaard.

Zodra een systeem groter is dan 20 kWh, verandert dit drastisch. De vuurbelasting wordt zo hoog dat een brand onvoorspelbaar wordt. De hittestraling is intenser, waardoor het vuur sneller overslaat naar nabijgelegen panden of bomen. Ook produceert een grote brandende batterij aanzienlijke hoeveelheden giftige gassen, waaronder waterstoffluoride, wat een direct gevaar vormt voor de omgeving en omwonenden.

De belasting voor de hulpdiensten

Een andere belangrijke reden voor de 20 kWh grens is de bluswatervoorziening. Een lithium-ion brand blus je niet door de vlammen te doven; je moet het systeem langdurig koelen om de interne chemische reactie te stoppen. Bij accu’s boven de 20 kWh zijn de benodigde hoeveelheden bluswater gigantisch. De standaard capaciteit van een brandweerwagen is dan niet meer toereikend. Daarom eist de PGS 37-2 dat er bij grotere systemen goed is nagedacht over de bereikbaarheid voor de brandweer en dat er voldoende koelwater in de directe nabijheid beschikbaar is.

Voor welke type systemen is de richtlijn geschreven?

PGS37-2

Het is belangrijk om te weten dat niet elke verzameling batterijen zomaar onder de PGS 37-2 valt. De richtlijn is zeer specifiek geschreven voor een bepaald type gebruik.

Uitsluitend lithium-ion als basis

De publicatiereeks richt zich expliciet op systemen die gebruikmaken van lithium-ion technologie. Dit dekt de overgrote meerderheid van de huidige markt, inclusief de welbekende NMC-batterijen (Nikkel Mangaan Kobalt) en de steeds populairdere LFP-batterijen (Lithium IJzer Fosfaat). Hoewel LFP-batterijen chemisch gezien stabieler zijn en een lager risico op brand hebben dan NMC, maken fabrikanten en wetgevers voor de PGS 37-2 op dit moment nog geen juridisch onderscheid in de 20 kWh drempelwaarde. Andere opkomende technologieën, zoals zoutwaterbatterijen, flow-batterijen of natrium-ion systemen, bevatten geen lithium-ion en vallen daardoor niet onder deze specifieke PGS-richtlijn. Voor die systemen gelden weer andere, algemene veiligheidskaders.

Gekoppeld aan een stroominstallatie (EOS)

De ‘2’ in PGS 37-2 staat specifiek voor een werkend energieopslagsysteem. Het systeem moet actief gekoppeld zijn aan een elektrische installatie. Dit betekent dat het systeem daadwerkelijk stroom oplaadt vanuit het net, zonnepanelen of wisselstroomdynamo’s, en deze later weer ontlaadt of teruglevert.

Wat valt er buiten de reikwijdte?

Het is handig om te weten wat niet onder deze richtlijn valt, zelfs als je boven de 20 kWh uitkomt:

  • Losse opslag van batterijen: Heb je een magazijn vol met lithium-ion batterijen in dozen die niet zijn aangesloten op het stroomnet? Dan geldt niet de PGS 37-2, maar de PGS 37-1 (wat de regels zijn voor veilige opslag van gevaarlijke stoffen in magazijnen).
  • Elektrische voertuigen (EV’s): De batterij in je elektrische vrachtwagen of vorkheftruck laadt op en ontlaadt, maar valt onder specifieke voertuigregelgeving en buiten de PGS 37-2.
  • Tijdelijke bouwplaats systemen: Voor mobiele batterijcontainers die tijdelijk op een bouwplaats staan en na enkele weken weer verdwijnen, bestaan vaak uitzonderingsregels, hoewel veel veiligheidsregio’s de PGS 37-2 wel als basisadvies gebruiken voor een veilige plaatsing.

Hoe bereken je de totale capaciteit op jouw locatie?

Photo PGS37-2

Nu je de grens van 20 kWh kent, doemt er een praktische vraag op: hoe stel je vast hoeveel kWh je daadwerkelijk hebt? Dat klinkt simpeler dan het in werkelijkheid is, zeker bij grofmazige bedrijfsinstallaties.

Het optellen van losse eenheden en brandcompartimenten

Je kunt de 20 kWh regel niet omzeilen door simpelweg drie losse batterijsystemen van 8 kWh aan te schaffen. Als deze systemen in dezelfde ruimte staan, telt de omgevingsdienst ze bij elkaar op. Je totale capaciteit is dan 24 kWh, wat betekent dat je aan de PGS 37-2 moet voldoen.

De regelgeving kijkt hierbij naar zogenaamde brandcompartimenten. Als je een grote loods hebt die bouwkundig is opgesplitst in twee losse brandcompartimenten (gescheiden door een wand met ten minste 60 minuten brandweerstand), dan mag je de batterijen per cel beoordelen. Plaats je 15 kWh in ruimte A en 15 kWh in ruimte B, en zijn de ruimtes brandveilig van elkaar gescheiden, dan blijf je in theorie per compartiment onder de grens en valt het systeem niet onder het zwaarste regime. Buitenom geldt dit principe ook: als batterijsystemen ver genoeg uit elkaar staan, hoef je ze niet bij elkaar op te tellen.

Bruto versus netto capaciteit

Een veelgemaakte fout in berekeningen is het verwarren van bruikbare capaciteit met de nominale capaciteit. Batterijfabrikanten geven vaak twee waardes op. Bijvoorbeeld een bruto (nominale) capaciteit van 22 kWh en een netto (bruikbare) capaciteit van 19,5 kWh. Voor het beschermen van de levensduur mag je de batterij immers nooit helemaal leegtrekken of tot honderd procent volpompen.

Voor de PGS 37-2 rekent de overheid echter áltijd met de bruto nominale capaciteit zoals gespecificeerd op het typeplaatje van de fabrikant. Ook al kan de software van de batterij feitelijk niet meer dan 19,5 kWh laden en ontladen, voor de veiligheidsrisico’s en de voorschriften gaat men uit van de 22 kWh aanwezige cellen. De wetgever kijkt namelijk naar de hoeveelheid energie en het chemische materiaal dat feitelijk fysiek aanwezig is en kan ontbranden.

Bij het bepalen van de hoeveelheid waarbij de PGS37-2 van toepassing is, is het belangrijk om ook te kijken naar gerelateerde regelgeving en richtlijnen. Een interessante bron die hier meer inzicht in biedt, is een artikel over de diensten van SafetyNet Consultants als ADN veiligheidsadviseur. Dit artikel legt uit hoe veiligheidsadviseurs kunnen helpen bij het omgaan met gevaarlijke stoffen en de bijbehorende wetgeving. Voor meer informatie kun je het artikel hier lezen: SafetyNet Consultants.

Wat moet je doen als je de 20 kWh overschrijdt?

Hoeveelheid PGS37-2 van toepassing
Minder dan 10 ton Niet van toepassing
Tussen 10 en 50 ton Van toepassing onder voorwaarden
Meer dan 50 ton Altijd van toepassing

Constateren dat het systeem op de 20 kWh drempel of erboven zit, is stap één. Maar wat zijn dan de concrete vervolgstappen die je moet nemen om de installatie legaal en veilig te realiseren?

Meldingsplicht en in sommige gevallen vergunningsplicht

In de regel hoef je voor het plaatsen van een EOS vanaf 20 kWh geen zware omgevingsvergunning aan te vragen. Je hebt echter wel een meldingsplicht. Dit betekent dat je minimaal vier weken voordat de installatie in gebruik wordt genomen, een melding moet doen bij het lokale bevoegd gezag, meestal via het landelijke Omgevingsloket. Hierbij moet je plattegronden, veiligheidsinformatiebladen van de leverancier, en het type branddetectie of blussysteem opgeven. Het lokaal bevoegd gezag zal de veiligheidsregio om advies vragen.

Let op: in bepaalde kwetsbare gebieden (zoals grondwaterbeschermingsgebieden) of voor installaties in kantoorpanden op grote hoogte, kan alsnog een specifieke maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning nodig zijn.

Plaatsing naar de erfgrens en omliggende gebouwen

Een van de meest voelbare regels in de praktijk gaat over afstanden. Zet je de batterijcontainer buiten neer? Dan eist de PGS 37-2 vaak een minimale afstand (bijvoorbeeld 10 of 20 meter, afhankelijk van de precieze hittestralingsberekening) tot de erfgrens, en tot omliggende gevels (mits deze niet voldoende brandwerend zijn). De vlammen en de hitte van een escalerend systeem mogen simpelweg je buurman niet in gevaar brengen. Als je die fysieke afstand op eigen terrein niet kunt halen, zul je extra hitteschilden of brandwerende muren moeten plaatsen nabij het EOS.

Noodvoorzieningen, detectie en bluswater

Vanaf 20 kWh moet het systeem beschikken over een geavanceerd Batterij Management Systeem (BMS) dat bij onregelmatige temperaturen het systeem zelf uitschakelt en isoleert. Ook is een robuust alarmeringssysteem nodig. Dit betekent fysieke rook- of hittemelders die een luid alarm geven, en in veel gevallen ook doormelding hebben naar een beheerder, zodat men snel in actie kan komen.

Tot slot moet je in kaart brengen hoe de brandweer je pand kan bereiken. Is er een openbare brandkraan of oppervlaktewater (een sloot) binnen bereik? Is er ruimte voor een blusvoertuig om veilig naast het pand te parkeren, maar uit de rook te blijven? Als deze buitenvoorzieningen niet adequaat zijn, kan de veiligheidsregio beslissen dat plaatsing pas mag als je dit zelf oplost, bijvoorbeeld door een externe bluswaterput aan te laten leggen.

Toezicht en hoe het beheer in de praktijk verloopt

Wanneer je installatie succesvol is geplaatst, stopt de verantwoordelijkheid overigens niet. Als beheerder van een energiesysteem van 20 kWh of meer ben je vanaf de activering verplicht om deze veilig te onderhouden.

Onderhoud en jaarlijkse keuring

De PGS 37-2 richtlijn verplicht periodiek basisonderhoud. Dit is om er zeker van te zijn dat het BMS, de sensoren en eventuele blusinstallaties die aan de batterijen verbonden zijn naar behoren blijven werken. Een externe partij of de installateur zal jaarlijks het systeem fysiek of op grote afstand uitlezen om storingen te identificeren en op te lossen. Je bent daarnaast verplicht om documentatie rondom onderhoud en testrondes bij te houden in een logboek, zodat inspecteurs kunnen zien dat je er serieus mee omgaat.

Wie handhaaft op deze drempelwaarde?

De controle op de regels rondom energieopslagsystemen gebeurt over het algemeen door de Omgevingsdienst, vaak in de regio aangeduid als de RUD (Regionale Uitvoeringsdienst), en inspecteurs van de gemeente. Zij baseren zich voor het grootste deel op adviezen en instructies vanuit de lokale veiligheidsregio (brandweer). Mocht tijdens een ronde of na een incident blijken dat er meerdere batterijsystemen staan die gezamenlijk ruimschoots de grens van 20 kWh passeren zónder melding en juiste veiligheidsmaatregelen, dan kunnen er vergaande stappen ondernomen worden, variërend van dwangsommen tot de verplichting het systeem direct uit te schakelen en te verwijderen.

Het is dus in ieder opzicht goedkoper en veiliger om vooraf scherp te hebben of jouw energie-opslagambitie over de magische grens van 20 kWh heengaat, en je plannen daar vanaf het allereerste begin op aan te sluiten.

FAQs

Wat is PGS37-2?

PGS37-2 is een richtlijn voor de opslag van gevaarlijke stoffen in verpakkingen. Het geeft richtlijnen voor de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die opgeslagen mag worden en de daarbij behorende veiligheidsmaatregelen.

Wanneer is PGS37-2 van toepassing?

PGS37-2 is van toepassing op bedrijven die gevaarlijke stoffen in verpakkingen opslaan. Dit geldt voor zowel vaste opslaglocaties als tijdelijke opslaglocaties.

Wat is de maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen volgens PGS37-2?

De maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen die volgens PGS37-2 opgeslagen mag worden, is afhankelijk van de opslagcategorie. Voor de exacte hoeveelheden wordt verwezen naar de richtlijnen van PGS37-2.

Welke veiligheidsmaatregelen moeten genomen worden volgens PGS37-2?

PGS37-2 schrijft verschillende veiligheidsmaatregelen voor, afhankelijk van de opslagcategorie en de hoeveelheid gevaarlijke stoffen. Dit kan onder andere gaan om brandveiligheidsvoorzieningen, ventilatie en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen.

Wie is verantwoordelijk voor het naleven van PGS37-2?

De verantwoordelijkheid voor het naleven van PGS37-2 ligt bij de bedrijven die gevaarlijke stoffen in verpakkingen opslaan. Zij dienen ervoor te zorgen dat de opslag voldoet aan de richtlijnen en veiligheidsmaatregelen van PGS37-2.